Nederlands   English  
Concept04
IV. Christelijke ethiek en het wereldlijk recht

IV. 1. God is volmaaktheid, daarom is de wereld die door Hem geschapen is volmaakt en harmonieus. Het leven is een inachtneming van de goddelijke geboden, aangezien God Zelf het leven is, eeuwig en volmaakt. Als gevolg van de zondeval kwam het kwaad en de zonde in de wereld. Maar tegelijkertijd heeft de gevallen mens de vrijheid behouden om met Gods hulp de goede weg te kiezen. In de pogingen daartoe wordt door de inachtneming van de goddelijke geboden het leven behouden. Maar een afkeer van hen leidt onvermijdelijk tot beschadiging en dood omdat het in feite niets anders is dan een zich afkeren van God en aldus van het zijn en het leven, dat alleen maar in Hem bestaat: "Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade: doordat ik u heden gebied de Heer, uw God, lief te hebben door in Zijn wegen te wandelen en Zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden opdat gij leeft… Maar indien uw hart zich afwendt en gij niet luistert doch u laat verleiden en u voor andere goden nederbuigt en hen dient, dan verkondig ik u heden, dat gij zeker te gronde zult gaan; niet lang zult gij leven in het land" (Deut. 30:15-18). In de wereldse orde der dingen volgen zonde en vergelding elkaar niet vaak onmiddellijk op, maar kunnen er vele jaren en zelfs generaties tussen liggen: "Want Ik, de Heer, uw God, ben een naijverige God, die de ongerechtigheid van de vaderen bezoekt aan de kinderen en aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden" (Deut. 5:9-10). Deze afstand tussen misdaad en straf houdt aan de ene kant de mens vrij en dwingt aan de andere kant de verstandige en godvruchtige mens tot studie van de goddelijke geboden met een bijzondere aandacht, opdat hij zo het onderscheid leert tussen goed en kwaad, tussen wettig en onwettig.

Onder de oudste getuigenissen van het geschreven woord bevinden zich talloze verzamelingen van zedenpreken en verordeningen. Deze gaan ongetwijfeld terug naar het nog eerdere, vooralfabetische bestaan van de mensheid, want "het werk der wet" is door God in de harten van de mensen geschreven (Rom. 2:15). Sinds onheugelijke tijden kent de menselijke samenleving een wetgeving. De eerste regels werden reeds aan de mens in het paradijs gegeven (Gen. 2:16-17). Na de val, de schending van de goddelijke wet door de mens, stelt het recht de grens, waarvan de overschrijding tot de ondergang van zowel de menselijke persoonlijkheid als de menselijke gemeenschap leidt.

IV. 2. Het recht heeft tot taak om de ene goddelijke universele wet manifest te maken op het sociale en politieke gebied. Maar tegelijkertijd draagt elk wettelijk systeem dat door de menselijke gemeenschap is voortgebracht als vrucht van een historische ontwikkeling, een stempel van beperktheid en onvolmaaktheid. Het recht behelst een speciaal gebied, dat zich onderscheidt van het ermee in verband staande terrein van de ethiek, omdat het zich niet uitstrekt tot de innerlijke gesteldheid van het menselijk hart, aangezien alleen God het menselijk hart kent.

Toch is het menselijk gedrag en handelen het onderwerp van wettelijke regelingen, hetgeen essentieel is voor de wetgeving. Het recht verschaft ook dwingende maatregelen om de wet te kunnen handhaven. De wettelijke sancties om het vertrapte recht en de orde te herstellen maken de wet tot een betrouwbare toeverlaat van de samenleving, tenzij het hele systeem van de opgelegde wetgeving in elkaar stort, zoals zo vaak in de geschiedenis is gebeurd. Maar aangezien geen enkele menselijke gemeenschap kan bestaan zonder wetgeving, neemt er altijd een ander wetsysteem de plaats in van de vernietigde gezagsorde.

Het recht bevat een bepaald minimum aan morele normen, waaraan alle leden van de maatschappij zich dienen te houden. Het wereldlijk recht heeft niet tot taak om de wereld, die in zonde is gelegen, te veranderen in het Koninkrijk Gods, maar om te verhinderen dat de wereld verwordt tot een hel. Het fundamentele principe van het recht is: "wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet". Wanneer iemand een zondige daad heeft begaan tegenover zijn naaste, dan kan de schade die aldus is toegebracht aan de integriteit van de goddelijke wereldorde ófwel goedgemaakt worden door het lijden van de overtreder, ófwel door vergeving, waarbij de morele consequenties van de zondige daad door degene die vergiffenis schenkt (de heerser, de spirituele vader, de gemeenschap, etc.) worden aanvaard. Lijden heelt de door zonde aangetaste ziel, terwijl het vrijwillige lijden van een onschuldige voor de zonden van een misdadiger de hoogste vorm van verlossing belichaamt, waarvan het meest ultieme voorbeeld de opoffering van onze Heer Jezus Christus is, Die de zonde van de wereld op Zich nam (Joh. 1:29).

IV. 3. Het begrip van waar de "pijngrens" ligt, die de ene mens van de andere scheidt was verschillend in de diverse samenlevingen en in verschillende tijden. Hoe religieuzer een menselijke samenleving, hoe groter het besef van de eenheid en volkomenheid van de wereld. De mensen in een religieus homogene samenleving worden vanuit twee perspectieven bekeken, in beide gevallen als unieke persoonlijkheden, die enerzijds persoonlijke verantwoordelijkheid dragen in hun neiging tot of afkeer van God en aldus niet door andere mensen geoordeeld kunnen worden (Rom. 14:4), maar die anderzijds ook leden van het gemeenschappelijke publieke lichaam zijn, waarin de ziekte van één lid leidt tot de ziekte en zelfs de dood van het hele lichaam. In het laatste geval kan en moet iedere persoon geoordeeld worden door de gehele gemeenschap, aangezien de daden van de één hun uitwerking hebben op de anderen. Het zoeken van de ene rechtvaardige naar de geest van vrede, leidt volgens de heilige Serafim van Sarov tot de redding van duizenden rondom hem, terwijl een zonde, begaan door één boosdoener de dood van velen tot gevolg heeft.

Deze houding ten opzichte van zondige en misdadige manifestaties is stevig verankerd in de Heilige Schrift en de traditie van de Kerk. "De mond des rechtvaardigen is een bron van leven, maar de mond der goddelozen verbergt geweld" (Spreuken 11:11). De heilige Basilius de Grote leerde het volk van Caesarea in Cappadocië: "Vanwege enkelen komen er rampen over hele volkeren, en vanwege de slechte daden van een enkeling, moeten velen hun vruchten proeven. Achab beging heiligschennis, en alle strijdwagens werden verslagen; Simri bedreef hoererij met een Midjanitische vrouw, en geheel Israël werd gestraft". En ook de heilige Cyprianus van Moskou schrijft: "Weet u niet dat de zonde van het volk over de vorst komt, en de zonde van de vorst over het volk?"

Het is om deze reden dat de oude wetboeken deze aspecten van het leven reglementeerden, terwijl ze niet meer in de huidige wetgeving voorkomen. Zo werd bijvoorbeeld in de wettelijke bepalingen van de Pentateuch overspel gestraft met de dood (Lev. 20:10), terwijl dit heden ten dage in de meeste landen niet als een wettelijke overtreding wordt beschouwd. Wanneer het totaalbeeld van de wereld in zijn complete zuiverheid verloren is gegaan, wordt het gebied van de wettelijke voorschriften gereduceerd tot die gevallen die alleen zichtbare schade aanrichten, en zo worden de grenzen van deze bepalingen steeds nauwer, evenredig met de erosie van de publieke moraal en de secularisatie van het bewustzijn. Zo wordt vandaag de dag hekserij, hetgeen in vroegere samenlevingen een zware misdaad was, afgedaan als een imaginaire daad, waar geen enkele straf op staat.

De gevallen natuur van de mens, die zijn bewustzijn heeft aangetast, laat hem niet toe de goddelijke wet in al zijn volheid te aanvaarden. In verschillende perioden waren de mensen zich slechts van een enkel aspect van deze wet bewust. Dit wordt duidelijk in de manier waarop de Verlosser in het Evangelie spreekt over echtscheiding. Mozes stond echtscheiding toe "vanwege de hardheid van onze harten", maar dat was niet zo "vanaf den beginne" omdat in het huwelijk de man "één vlees" wordt met zijn vrouw, waardoor het huwelijk onontbindbaar wordt (Mt. 19:3-5).

In die gevallen echter, waarin de menselijke wet de absolute goddelijke norm verwerpt en vervangt door haar tegendeel, houdt de wet op wet te zijn en wordt zij tot wetteloosheid, in welk wettelijk jasje ze ook gestoken moge zijn. Zo staat er duidelijk in de Tien Geboden: "Eert uw vader en uw moeder" (Ex. 20:12). Iedere seculiere norm die dit gebod tegenspreekt klaagt niet de overtreder aan, maar juist de wetgever. Met andere woorden: de menselijke wet heeft nooit de goddelijke wet in haar volheid bevat, maar teneinde wet te kunnen zijn moet zij in overeenstemming zijn met de door God ingestelde principes, en deze niet verder uithollen.

IV. 4. Historisch gezien zijn zowel religieuze als seculiere wetten afkomstig van dezelfde bron. Meer nog, gedurende een lange tijd vertegenwoordigden zij slechts twee kanten van dezelfde wettelijke medaille. Dit idee van het recht karakteriseert ook het Oude Testament.

Toen de Heer Jezus Christus Zijn getrouwen riep tot het Koninkrijk dat niet van deze wereld is, scheidde Hij de Kerk als Zijn Lichaam van de wereld die in zonde is gelegen (Luk. 12:51.52). In het Christendom is de innerlijke wet van de Kerk vrij van de geestelijkgevallen staat van de wereld en is er zelfs aan tegengesteld (Mt. 5:21-47). Deze tegengesteldheid echter, is niet een schending maar juist de vervulling van de wet van de goddelijke Waarheid in geheel haar volheid, die de mensheid in de zondeval verworpen heeft. Wanneer we de normen van het Oude Testament vergelijken met die van het Evangelie, dan zien we dat Christus in Zijn Bergrede de mensen oproept om het leven volledig in overeenstemming te brengen met de absolute goddelijke wet, d.w.z. dat Hij oproept tot de theosis, de zelfheiliging of vergoddelijking: "Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is" (Mt. 5:48).

IV. 5. In de Kerk, gesticht door onze Heer Jezus Christus, geldt een speciaal recht dat gebaseerd is op de goddelijke Openbaring. Dat is het canonieke recht. Terwijl andere religieuze verordeningen die aan de van God afgevallen mensheid gegeven zijn in principe deel kunnen uitmaken van het burgerlijk recht, is de Christelijke wet in de grond van de zaak bovensociaal. Zij kan geen onderdeel zijn van het burgerlijk recht, hoewel zij in Christelijke samenlevingen een gunstige invloed kan hebben als haar morele grondslag.

De Christelijke staat gebruikte meestal het gewijzigde recht uit de heidense tijd (bijvoorbeeld het Romeinse recht in de Codex van Justinianus), voor zover die ook de normen bevatte die in overeenstemming waren met de goddelijke waarheid. Iedere poging echter om een burgerlijk, strafrechtelijk of publiek recht te ontwikkelen, gebaseerd op het Evangelie alleen, kan nooit doeltreffend zijn, omdat zonder de volledige verkerkelijking van het leven, d.w.z. zonder de complete overwinning over de zonde, het kerkelijke recht nooit tot wereldlijk recht kan worden. Deze overwinning is weliswaar mogelijk, maar alleen in een eschatologisch perspectief.

De praktijk van de Christianisering van het rechtssysteem zoals dat van het heidense Rome was geërfd ten tijde van Keizer Justinianus bleek evenwel zeer succesvol te zijn. En dat kwam in niet geringe mate door het feit dat de wetgever zich bij de ontwikkeling van de Codex ten volle bewust was van de grenzen tussen de ordening der wereld enerzijds, die ook in het Christelijke tijdperk door de zondeval en verdorvenheid getekend is, en de wetten van de Kerk als het genadeschenkende Lichaam van Christus anderzijds, hoewel de leden van dit Lichaam en de burgers van de Christelijke staat dezelfde personen zijn. De Codex van Justinianus bepaalde eeuwenlang het Byzantijnse rechtssysteem en had een aanzienlijke invloed op de ontwikkeling van het recht in Rusland en in sommige West-Europese landen, zowel in de Middeleeuwen als in de moderne tijd.

IV. 6. Het principe van de onvervreemdbare rechten van de mens is een van de overheersende principes geworden in de hedendaagse opvatting van gerechtigheid. Het idee van deze rechten is gebaseerd op de Bijbelse leringen over de mens als het evenbeeld en de gelijkenis van God, als een ontologisch vrij schepsel. "Bekijk de mensen om u heen", schrijft de heilige Antonius van Egypte, "en zie hoe vorsten en meesters slechts macht hebben over uw lichaam, en niet over uw ziel. Houdt dat altijd in gedachte. Daarom zult gij hen ook niet gehoorzamen wanneer zij u bijvoorbeeld opdragen iemand te doden of enigerlei andere ongepaste en zondige daden van u verlangen, zelfs als zij uw lichaam martelen. God heeft de ziel vrij en zelfbestemmend geschapen, en zij is vrij te doen wat zij wil, het goede of het kwade".

De Christelijke sociaal-maatschappelijke ethiek eist dat er een zeker autonoom gebied voor de mens voorbehouden moet zijn, waarbinnen zijn geweten de "autocratische" heerser kan blijven, want het is de vrije wil die uiteindelijk beslist over redding of ondergang, de weg naar Christus of de weg van Christus af. Het recht te geloven, te leven en een gezin te stichten vormt een garantie voor de onvervreemdbare grondslag van de menselijke vrijheid tegenover de willekeur van vreemde machten. Deze innerlijke rechten worden aangevuld met en gewaarborgd door andere, externe rechten, zoals het recht op vrijheid van reizen, informatie, eigendom, het bezit ervan en de beschikking erover.

God behoedt de vrijheid van de mens, zonder hem Zijn wil op te leggen. Integendeel, het is juist de satan die tracht de menselijke wil in zijn bezit te krijgen en tot slaaf te maken. Wanneer het recht in overeenstemming is met de goddelijke waarheid, zoals die is geopenbaard door onze Heer Jezus Christus, dan waakt die ook over de menselijke vrijheid: "Waar de Geest is, daar is vrijheid" (2Kor. 3:17). Daarom beschermt het de onvervreemdbare rechten van de persoon. Die tradities echter, die geen weet hebben van het principe van de vrijheid van Christus, trachten vaak het menselijk bewustzijn te onderwerpen aan de externe wil van de heerser of een collectief.

IV. 7. Bij het voortschrijden van de secularisatie mondden de verheven principes van de onvervreemdbare rechten van de mens uit in een notie van de rechten van het individu, los van zijn relaties met God. In dit proces is de vrijheid van de persoon omgevormd tot de bescherming van de eigen wil (zo lang het niet schadelijk is voor anderen), en tot de eis dat de staat een zekere materiële levensstandaard voor het individu en zijn familie garandeert. In het systeem van de hedendaagse wereldlijke humanistische opvatting van de burgerrechten van de mens, wordt de mens niet gezien als het beeld van God, maar als een zelfgenoegzaam en zelfvoorzienend subject. Maar buiten God bestaat er slechts de gevallen mens, die tamelijk ver verwijderd is van het ideaal van perfectie waarnaar de Christenen streven en zoals die is geopenbaard in Christus ("Ecce homo!"; "Zie de mens!"). Binnen de Christelijke opvatting van gerechtigheid is het idee van de menselijke vrijheid en mensenrechten nauw verbonden met het idee van dienstbaarheid. De Christen heeft voornamelijk behoefte aan zijn rechten om in de gebruikmaking daarvan vóór alles zijn verheven roeping gestand te kunnen doen om te worden tot de "gelijkenis Gods", en eveneens om zijn plicht te kunnen vervullen jegens God en de Kerk, jegens zijn naaste, familie, staat, natie en andere menselijke gemeenschappen.

Als een resultaat van de secularisatie in de moderne tijd heeft de theorie van het natuurrecht de overhand gekregen, waarin geen rekening wordt gehouden met de gevallen staat van de mens. Maar deze theorie heeft de band met de Christelijke traditie niet verloren, want zij kwam voort uit de overtuiging dat de noties van goed en kwaad inherent zijn aan de menselijke natuur. Derhalve kwam dit recht voort uit het leven zelf, gebaseerd op het geweten ("de categorische morele imperatief"). Deze theorie was overheersend in de Europese samenleving tot in de negentiende eeuw. Als praktische consequentie hield zij allereerst het principe van de historische continuïteit van het wettelijk domein in (het recht kan niet ophouden te bestaan omdat het geweten niet kan ophouden te bestaan; het kan slechts verbeterd worden en aangepast aan nieuwe situaties en gevallen). Op de tweede plaats gaf het aanleiding tot het precedentprincipe (de rechtbank kan onder verwijzing naar het geweten en met de inachtneming van de wettelijke traditie een juist oordeel vellen, dat in overeenstemming is met de goddelijke waarheid).

In het huidige rechtsbegrip overwegen inzichten die een apologetische houding aannemen tegenover het geldende positieve recht. Het recht wordt beschouwd als een menselijke uitvinding, een constructie die door de samenleving is samengesteld ten behoeve van zichzelf, om taken die zij zichzelf heeft toebedeeld te vervullen. Derhalve wordt iedere verandering van het recht, die goedgekeurd is door de samenleving, beschouwd als wettelijk. Het geschreven wetboek heeft geen enkele absolute basis. Dit gezichtspunt verleent geldigheid aan een revolutie die de wetten van de "oude wereld" van zich afwerpt, en aan een volledige verwerping van de morele norm wanneer deze verwerping is goedgekeurd door de maatschappij. Wanneer aldus in de hedendaagse maatschappij abortus niet gezien wordt als moord, dan is dat ook wettelijk niet het geval. Apologeten van het positieve recht geloven dat de maatschappij enerzijds allerlei verschillende maatstaven kan introduceren en anderzijds iedere bestaande wetgeving kan legitimeren, enkel en alleen vanwege het feit dat ze bestaat.

IV. 8. De rechtsordening van ieder land is een speciale versie van de opvatting van het algemeen geldend wereldrecht, zoals dat ieder volk eigen is. Het nationale recht drukt de fundamentele principes uit van de relaties tussen mensen, tussen macht en maatschappij en tussen verschillende instituties, in overeenstemming met de bijzonderheden van een bepaalde natie in haar historische ontwikkeling. Het nationale recht is onvolmaakt, want iedere natie is onvolmaakt en zondig. Maar het verschaft wel een kader voor het leven van de mens, in zoverre het Gods absolute waarheden vertaalt naar en aanpast aan het concrete historische en nationale bestaan.

Zo heeft de rechtsordening in Rusland zich trapsgewijs ontwikkeld en is zij gedurende een millennium steeds complexer geworden, naarmate de maatschappij zelf complexer werd. Het conventionele Slavische gewoonterecht, dat tot in de tiende eeuw de oude algemene Arische vormen had bewaard, nam als gevolg van de Christianisatie sommige elementen van de Byzantijnse wetgeving in zich op. Het deed dit door de Codex van Justinianus terug te voeren tot het klassieke Romeinse recht en het kerkelijke canonieke recht dat in die tijd werd samengevoegd met het burgerlijk recht. Vanaf de 17e eeuw nam het Russische recht in sterke mate de normen en de wettelijke logica van het West-Europese recht over, maar het deed dit op een redelijk natuurlijke manier, omdat de Romeinse rechtstraditie, fundamenteel voor Europa, reeds in de 10e en 11e eeuw, tezamen met het Christendom door Rusland van Constantinopel was overgenomen. De oude Russische Roeskaja Pravda (de Russische waarheid), de vorstelijke statuten en handvesten, wettelijke documenten en boeken, de Stoglav en de Conciliaire Codex van 1649, de Petrinische statuten en verordeningen, de juridische akten van Catherina de Grote en Alexander I, de hervormingen van Alexander II en de Grondwet van 1906 - allen waren zij uitingen van hetzelfde juridische bouwwerk, dat dankzij het scheppend vermogen van het gehele volksorganisme kon worden opgetrokken. Enkele normen raakten verouderd, terwijl andere hun plaats innamen. Sommige wettelijke vernieuwingen liepen op niets uit omdat zij niet in overeenstemming waren met de praktijk van het volksleven en werden niet meer toegepast. De stroom van de rivier der Russische nationale wetgeving, wiens bronnen teruggingen tot in een ver verleden, werd onderbroken in het jaar 1917. Op 22 november van dat jaar, werd door de Raad van Volkscommissarissen, in overeenstemming met de geest van het positieve recht, de gehele Russische wetgeving herroepen. Sinds de ineenstorting van de Sovjetstaat, begin jaren negentig, is er in de landen van het GOS en de Baltische staten een nieuw rechtssysteem in de maak. Ten grondslag daaraan liggen de ideeën, die in de hedendaagse geseculariseerde opvatting van het recht domineren.

IV. 9. De Kerk van Christus, die haar eigen autonome recht kent, dat gebaseerd is op de heilige canons en dat buiten de grenzen van het kerkelijke leven geen geldigheid bezit, kan binnen de meest uiteenlopende rechtssystemen bestaan, welke zij altijd met respect bejegent. De Kerk roept haar kudde te allen tijde op om gezagsgetrouwe burgers te zijn van het aardse vaderland. Tezelfdertijd heeft zij altijd de onwrikbare grenzen aangegeven tot hoever de gelovigen de wet kunnen gehoorzamen.

In alle gevallen die puur de aardse orde der dingen betreffen, is de Orthodoxe Christen verplicht de wet te gehoorzamen, ongeacht de mate van haar onvolkomenheid. Wanneer echter de gehoorzaamheid aan de wet de eeuwige redding van de mens bedreigt en een afval van het geloof of een andere duidelijke zonde tegenover God en de medemens tot gevolg heeft, dan is de Christen geroepen tot een opofferende geloofsbekentenis omwille van Gods waarheid en de redding van zijn ziel ter wille van het eeuwige leven. Het is zijn plicht om open en binnen het kader van de wet tegen de door de maatschappij of staat begane onbetwistbare schending van Gods wetten en geboden op te treden. Wanneer dit onmogelijk is binnen het kader van de wet, dan is hij geroepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid (vgl. III. 5.).






I. Fundamentele theologische uitgangspunten
II. Kerk en natie
III. Kerk en staat
IV. Christelijke ethiek en het wereldlijk recht
V. Kerk en politiek
VI. De arbeid en zijn vruchten
VII. Eigendom
VIII. Oorlog en vrede
IX. Criminaliteit, straf, moreel herstel
X. Vragen betreffende de persoonlijke, familiaire en maatschappelijke zedelijkheid
XI. Persoonlijk en maatschappelijk welzijn
XII. Problemen met betrekking tot de bio-ethiek
XIII. De Kerk en de ecologische problematiek
XIV. Wereldlijke wetenschap, cultuur en opvoeding
XV. Kerk en massamedia
XVI. Internationale betrekkingen
XVII. Het probleem van de globalisering en de secularisatie





 
Разместите
наш баннер
на своем сайте!

ХРАМ СВ. БЛАГОВЕРНОГО ВЕЛИКОГО КНЯЗЯ АЛЕКСАНДРА НЕВСКОГО - ROTTERDAM

Код баннера
смотрите здесь


Паломническая служба для инвалидов



«Сестры» — Ново-Тихвинский женский монастырь



Ðåéòèíã@Mail.ru

Rambler's Top100

Православный каталог