Nederlands   English  
Concept08
VIII. Oorlog en vrede

VIII. 1. Oorlog is een fysieke manifestatie van een latente ziekte van de mensheid, namelijk de broedermoordende haat (Gen. 4:3-12). Oorlogen hebben deel uitgemaakt van de menselijke geschiedenis sinds de zondeval en zullen dat volgens de woorden van het Evangelie ook in de toekomst blijven doen: "Doch wanneer gij hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, weest dan niet verontrust. Dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet" (Mk. 13:7). Ook het boek der Openbaring getuigt daarvan in het verhaal van de laatste strijd tussen goed en kwaad op de berg Harmagedon (Openb. 16:16). Voortkomend uit de trots en het verzet tegen de wil van God, zijn de aardse oorlogen in feite een afspiegeling van de hemelse strijd. Aangetast door de zonde ziet de mens zich constant verwikkeld in het geweld van deze strijd. Oorlog is een kwaad. En gelijk het kwaad in de mens in het algemeen, wordt oorlog veroorzaakt door het zondige misbruik van de door God gegeven vrijheid; "Want uit het hart komen boze overleggingen, moord echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen" (Mat. 15:19).

Al sinds het begin der tijden werd moord, die onlosmakelijk met de oorlog is verbonden, als een ernstige zonde beschouwd. "Gij zult niet doden", zo luidt de Mozaische wet (Ex. 20:13). Zowel in de Oude Testament als in andere oude religies werd bloed gezien als heilig, want in het bloed schuilt het leven (Lev. 17:11-14). "Bloed ontwijdt het land", zegt de Heilige Schrift. En in dezelfde tekst worden degenen die hun toevlucht zoeken tot geweld gewaarschuwd: "Want voor het land kan ten aanzien van het bloed dat daarin vergoten is, geen verzoening worden gedaan dan door het bloed van degene, die het vergoten heeft" (Num. 35:33).


VIII. 2. Terwijl zij de mensen het goede nieuws van de verzoening brengen (Rom. 10:15), maar tegelijkertijd in "deze wereld" leven, die "in het boze" ligt (1 Joh. 5:19) en door het geweld wordt beheerst, worden de Christenen onvrijwillig geconfronteerd met de essentiele noodzaak deel te nemen aan diverse oorlogshandelingen. Ondanks het feit dat de Kerk oorlog als een groot kwaad beschouwt, verbiedt zij haar kinderen niet deel te nemen aan krijgshandelingen wanneer de veiligheid van de naaste in gevaar is of wanneer de met voeten getreden gerechtigheid moet worden hersteld. In zulke gevallen geldt de oorlog als een ongewenst doch noodzakelijk middel. De Orthodoxie heeft altijd een groot respect gehad voor soldaten die hun leven hebben gegeven voor de bescherming van het leven en de veiligheid van hun naasten. De Heilige Kerk heeft vele soldaten gecanoniseerd, op grond van hun Christelijke deugden, het woord van Christus indachtig: "Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden" (Joh. 15:13).

Toen de heilige apostelgelijke Cyrillus door de Patriarch van Constantinopel naar de Saracenen werd gezonden om het evangelie te verkondigen, raakte hij in hun hoofdstad met Mohammedaanse geleerden in debat over het geloof. Zij vroegen hem onder andere: "Jullie God is Christus. Hij heeft jullie opgedragen te bidden voor de vijanden, goed te doen voor degenen die jullie haten en vervolgen en de andere wang toe te keren aan degenen die jullie slaan, maar wat doen jullie in werkelijkheid? Wanneer iemand jullie iets misdoet, dan scherpen jullie het zwaard, binden de strijd aan en doden. Waarom gehoorzaamt u niet uw Christus?" Nadat de heilige Cyrillus dit aanhoord had vroeg hij zijn gesprekspartners: "Wanneer er twee geboden beschreven zijn in een wet, wie is dan het meest trouw aan die wet - degene die slechts een gebod onderhoudt, of degene die beide geboden onderhoudt?" Nadat de Mohammedanen hadden toegegeven dat degene die beide geboden onderhoudt de wet het beste respecteert, vervolgde de heilige prediker: "Christus is onze God, Die ons heeft opgedragen te bidden voor onze vijanden en het goede voor hen te doen. Maar Hij heeft ook gezegd dat niemand van ons een grotere liefde kan tonen dan door zijn leven te geven ter wille van zijn vrienden. Dat is de reden waarom wij edelmoedig alle persoonlijke beledigingen en aanvallen ondergaan. Maar in gezelschap verdedigen wij elkaar en geven wij ons leven in de strijd om de naasten, zodat jullie van onze medeburgers niet slechts hun lichamen maar ook hun zielen kunnen gevangennemen, door hen hun geloof te laten afzweren en hen tot andere goddeloze daden te dwingen. Onze Christus-lievende soldaten verdedigen onze Heilige Kerk met het wapen in de hand. Zij beschermen de vorst in wiens geheiligde persoon zij het beeld van de heerschappij van de Hemelse Koning hoogachten. Zij beschermen hun land omdat door diens val onvermijdelijk ook de vaderlandse autoriteit zal vallen en het evangelische geloof geweld zal worden aangedaan. Dit zijn de dierbare principes waarvoor de soldaten tot het eind toe moeten vechten. En wanneer zij hun leven geven op het slagveld, dan zal de Kerk hen opnemen in de schare der heilige martelaren en hen als voorsprekers beschouwen bij God".


VIII. 3. "Allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen" (Mat.26:52). Deze woorden van de Verlosser rechtvaardigen het idee van de rechtvaardige oorlog. Vanuit Christelijk perspectief moet de opvatting van de morele gerechtigheid in de internationale betrekkingen gebaseerd zijn op de volgende principes: liefde tot de naasten, het volk en het vaderland; begrip voor de noden van andere volkeren en de overtuiging dat het onmogelijk is het eigen land te dienen met behulp van immorele middelen. Deze drie principes hebben de ethische grenzen van de oorlog bepaald en werden ontwikkeld in de Christelijke wereld van de Middeleeuwen, toen de mensen naar aanleiding van de praktische situatie op het slagveld, trachtten de uitingen van militair geweld in te tomen. Reeds toen begrepen de mensen dat de oorlog volgens bepaalde regels gevoerd moest worden en dat een vechtende soldaat niet zijn moraliteit mag verliezen, door te vergeten dat ook zijn tegenstanders menselijk wezens zijn.

De ontwikkeling van de hoge morele normen in de internationale relaties zou onmogelijk geweest zijn zonder de morele invloed die het Christendom heeft gehad op het hart en het verstand van de mens. Aan de eisen van het oorlogsrecht werd vaak geen gehoor gegeven, maar alleen al het poneren van de vraag naar gerechtigheid heeft vele strijders weerhouden van het gebruik van extreem geweld.

In de definiering van de rechtvaardige oorlog poneert de Westerse Christelijke traditie, die teruggaat op de heilige Augustinus, gewoonlijk een aantal condities, waaraan een oorlog in iemands eigen of andermans territorium zou moeten voldoen. Zij luiden als volgt:

· oorlog mag worden verklaard voor het herstel van de gerechtigheid;
· oorlog mag slechts door het wettelijk gezag worden verklaard;
· geweld mag slechts gebruikt worden door de daartoe aangewezen vertegenwoordigers van het burgerlijk gezag, en niet door willekeurige personen of groepen;
· een oorlog mag pas verklaard worden nadat alle vreedzame middelen zijn gebruikt in de onderhandelingen met de tegenpartij, en alleen om de oorspronkelijke situatie te herstellen;
· oorlog mag slechts worden verklaard wanneer er goed gefundeerde verwachtingen bestaan dat het gestelde doel kan worden bereikt;
· De geplande militaire verliezen en verwoestingen moeten in verhouding staan tot de situatie en het doel van de oorlog (het principe van de evenredigheid der middelen);
· gedurende de oorlog moeten de burgers gevrijwaard worden van gerichte vijandelijkheden;
· oorlog kan alleen maar gerechtvaardigd zijn vanuit de wil om recht en orde te herstellen.

In het huidige systeem van de internationale betrekkingen is het vaak moeilijk een aanvallende oorlog van een verdedigende te onderscheiden. Het onderscheid tussen deze twee is met name zeer subtiel wanneer er een of twee staten of de gehele wereldgemeenschap vijandelijkheden beginnen op grond van het feit dat ze het noodzakelijk vinden mensen te beschermen die het slachtoffer zijn van een vorm van agressie (zie XV. 1.). In dit opzicht moet de vraag of de Kerk bepaalde vijandelijkheden moet billijken of afkeuren iedere keer opnieuw worden gesteld, wanneer deze dreigen te beginnen of reeds begonnen zijn.

Enkele belangrijke kenmerken die duiden op de rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid van een oorlogspartij zijn de methoden van oorlogvoering, de houding ten opzichte van de krijgsgevangenen en de burgers van de tegenpartij, met name kinderen, vrouwen en ouderen. Ook in de verdediging tegenover een agressieve aanval kan men zelf vervallen tot een vorm van kwaad, waarbij de eigen spirituele en morele opvattingen vaak niet beter zijn dan die van de agressor. Een oorlog moet met een rechtvaardige toorn gevoerd worden, en niet met boosaardigheid, hebzucht, begeerte (1 Joh. 2:16) of andere vruchten van de hel. Een juiste beoordeling van de oorlog als heldendaad of roofoverval kan pas gegeven worden als de morele toestand van de strijdende partijen geanalyseerd is. "Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk dat wij allen zullen sterven", zegt de Heilige Schrift (Sirach 8:8). De humane houding van de christen ten opzichte van de gewonden en de krijgsgevangenen is gebaseerd op de woorden van de heilige Paulus: "Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd verzamelen. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede" (Rom. 12:20-21).

VIII. 4. Op de iconen van de heilige Georgius de Wonderdoener wordt de zwarte draak vertrapt door de hoeven van een paard, dat altijd helwit wordt afgebeeld. Dit toont ons op beeldende wijze dat het kwaad en de strijd daartegen altijd volledig van elkaar gescheiden moeten zijn, want het is belangrijk om in de strijd tegen de zonde er zelf niet door besmet te worden. In alle situaties waarin het gebruik van geweld onvermijdelijk is, mag het hart niet worden verstrikt in slechte gevoelens, die gevoed worden door allerlei kwade krachten. Het is slechts de overwinning op het kwaad in ieders hart, die iemand in staat stelt om geweld op een rechtvaardige manier te gebruiken. De Christelijke morele wet veroordeelt niet de strijd tegen het kwaad, noch het gebruik van geweld tegenover degenen die het kwaad begaan, zelfs niet het opofferen van iemands leven in uiterste noodzaak, maar zij veroordeelt de boosaardigheid in iemands hart en het verlangen de ander te vernederen of te vernietigen.

In dit opzicht heeft de Kerk een speciale zorg ten opzichte van het leger en probeert zij de militair op te voeden tot de getrouwheid aan verheven morele idealen. Het akkoord dat de Russisch-Orthodoxe Kerk heeft gesloten met de strijdkrachten en de diverse afdelingen van de misdaadbestrijding, biedt aanzienlijke mogelijkheden om de kunstmatig opgeworpen scheidslijnen te overwinnen, door het leger terug te brengen tot de eeuwenoude Orthodoxe tradities van de dienst aan het vaderland. Orthodoxe geestelijken, zowel degenen die een speciale taak vervullen binnen het leger, als degenen die dienen in de parochies en kloosters, worden opgeroepen het militaire personeel op energieke wijze bij te staan in de zorg voor hun morele gesteldheid.

VIII. 5. De Christelijke conceptie van 'vrede' is gebaseerd op de belofte van God, zoals die beschreven is in het Oude en Nieuwe Testament. Deze belofte, die de geschiedenis haar ware betekenis geeft, is bewaarheid in Jezus Christus. Voor Zijn volgelingen is vrede een genadevol geschenk van God, waarvoor wij bidden en waarom wij God vragen, zowel voor onszelf als voor de gehele mensheid. De bijbelse opvatting van vrede is veel breder dan de politieke. De heilige Paulus wijst erop dat "de vrede Gods alle verstand te boven gaat" (Fil. 4:7). Het overstijgt verre de vrede die mensen uit eigen vermogen tot stand kunnen brengen. De vrede van de mens met God, met zichzelf en met andere mensen is onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De Oudtestamentische profeten omschrijven de vrede als een toestand van de eindtijd: "Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich neerleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn... Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis des Heren, zoals de wateren de bodem der zee bedekken" (Jes. 11:6-9). Dit eschatologische beeld wordt geassocieerd met de openbaring van de Messias, Wiens naam 'Vorst des Vredes' luidt (Jes. 9:6). Oorlog en geweld zullen van de aardbodem verdwijnen: "Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren" (Jes. 2:4). Maar vrede is niet slechts een gave Gods, maar ook een menselijke opdracht. Uit de Bijbel spreekt de hoop dat de vrede met de hulp van God reeds in dit aardse bestaan bewerkstelligt zal kunnen worden.

Volgens de profeet Jesaja is vrede een werk van gerechtigheid (Jes. 32:17). De Heilige Schrift refereert ook aan de gerechtigheid van God en de gerechtigheid van de mens. Beide sluiten zij aan bij het verbond dat God sloot met het uitverkoren volk (Jer. 31:35). In deze context wordt gerechtigheid opgevat als getrouwheid aan de verbondsrelatie. In dezelfde mate dat de mensen het verbond met God schenden, d.w.z., in dezelfde mate dat zij onrechtvaardig en zondig zijn, worden zij beroofd van de vrucht der gerechtigheid: de vrede. Ook de wet van de Sinai bevat als een van zijn fundamentele elementen de eis van rechtvaardigheid ten opzichte van de naaste. De geboden van de wet waren niet bedoeld om op een vervelende manier de individuele vrijheid in te perken, maar om een sociaal leven op te bouwen, gebaseerd op de gerechtigheid, en daarmee een betrekkelijke vrede, orde en rust te bewerkstelligen. Voor Israel betekende dit dat de vrede in het maatschappelijke leven niet zomaar uit zichzelf ontstond door middel van bepaalde natuurwetten, maar mogelijk werd, ten eerste als een gave van Gods gerechtigheid en ten tweede als een vrucht van de religieuze inspanningen van de mens, dat wil zeggen zijn getrouwheid aan God. Waar de mensen Gods gerechtigheid beantwoorden met dankbaarheid, daar: "ontmoeten elkaar goedertierenheid en trouw; daar kussen elkaar gerechtigheid en vrede" (Ps. 85:11). Tegelijkertijd levert de geschiedenis van het Oude Testament talrijke voorbeelden van ontrouw en zondige ondankbaarheid van het uitverkoren volk. Derhalve zoekt profeet Jeremia daar de reden voor de afwezigheid van vrede in Israel, waar de mensen altijd uitriepen: "Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is" (Jer. 6:14). De profetische oproep tot berouw weerklinkt als een lied van trouw aan de waarheid van God. Ondanks de zonden van de mensen belooft God "een nieuw verbond" met hen te sluiten (Jer. 31:31).

In het Nieuwe Testament wordt de vrede, net als in het Oude Testament, gezien als een gave van Gods liefde. Het wordt geidentificeerd met het eschatologische heil. De tijdloosheid van de door de profeten verkondigde vrede is vooral duidelijk zichtbaar in het Evangelie volgens Johannes. Terwijl droefheid en smart in de geschiedenis de overhand blijven houden, hebben degenen die in Christus geloven vrede (Joh. 14:2; 16:33). De vrede in het Nieuwe Testament is de normale genadevolle toestand van de menselijke ziel, die bevrijd is van de slavernij van de zonde. Dat is wat er bedoeld wordt met de wens naar "genade en vrede" in het begin van de Brieven van de Apostel Paulus. Deze vrede is een gave van de Heilige Geest (Rom. 15:13; Gal 5:22). De staat van verzoening met God is de normale staat van de schepping, "want God is geen God van wanorde, maar van vrede" (1 Kor. 14:33). Psychologisch gezien wordt deze toestand uitgedrukt door de innerlijke conditie van de ziel, wanneer vreugde en de vrede in het geloof bijna synoniemen worden.


Vrede door Gods genade karakteriseert het leven van de Kerk, zowel in haar innerlijke als uiterlijke aspecten. Natuurlijk hangt de genadevolle gave van de vrede ook af van de menselijke inspanningen. De gaven van de Heilige Geest manifesteren zich slechts daar waar het menselijk hart zich opent en berouwvol verlangt naar de waarheid van God. De gave van de vrede openbaart zich pas wanneer de Christenen haar zoeken, "onophoudelijk gedachtig aan het werk uws geloofs, de inspanning uwer liefde en de volharding uwer hoop op onze Heer Jezus Christus" (1 Tes. 1:3). Het streven naar vrede van ieder individueel lid van het lichaam van Christus moet onafhankelijk zijn van de tijd en de levensomstandigheden. Als "kinderen Gods" (Mat. 5:9), brengen zij in iedere tijd en op iedere plaats vrucht voort. Vrede als een gave van God, die de innerlijke mens transformeert, moet ook naar buiten zichtbaar worden. Hij moet gekoesterd en aangewakkerd worden (2 Tim. 1:6). Daarom is het stichten van vrede een taak van de Kerk van Christus: "Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen" (Rom. 12:18) en probeer "de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes" (Ef. 4:3). De Nieuwtestamentische oproep tot het stichten van vrede is gebaseerd op het persoonlijke voorbeeld van de Verlosser en Zijn prediking. Zijn de geboden van geweldloosheid ten opzichte van het kwaad (Mat. 5:39), de liefde voor de vijand (Mat. 5:44) en vergeving (Mat. 6:14-15) voornamelijk tot het individu gericht, zo heeft het gebod tot vredestichting , "Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden", direct betrekking op de sociale ethiek.

De Russisch-Orthodoxe Kerk probeert haar dienst aan de vrede zowel op nationaal als internationaal niveau uit te voeren, door te helpen diverse tegenstrijdigheden op te lossen en de verschillende landen, etnische groeperingen, regeringen en politieke krachten tot harmonie te brengen. Daartoe richt zij zich tot de machthebbers en andere invloedrijke krachten in de maatschappij en probeert zij onderhandelingen te organiseren tussen de strijdende partijen en hulp te bieden aan degenen die lijden. De Kerk richt zich ook tegen de oorlogspropaganda en het geweld, evenals tegen de verschillende uitingen van haat die kunnen leiden tot het uitlokken van broedermoordende conflicten.






I. Fundamentele theologische uitgangspunten
II. Kerk en natie
III. Kerk en staat
IV. Christelijke ethiek en het wereldlijk recht
V. Kerk en politiek
VI. De arbeid en zijn vruchten
VII. Eigendom
VIII. Oorlog en vrede
IX. Criminaliteit, straf, moreel herstel
X. Vragen betreffende de persoonlijke, familiaire en maatschappelijke zedelijkheid
XI. Persoonlijk en maatschappelijk welzijn
XII. Problemen met betrekking tot de bio-ethiek
XIII. De Kerk en de ecologische problematiek
XIV. Wereldlijke wetenschap, cultuur en opvoeding
XV. Kerk en massamedia
XVI. Internationale betrekkingen
XVII. Het probleem van de globalisering en de secularisatie





 
Разместите
наш баннер
на своем сайте!

ХРАМ СВ. БЛАГОВЕРНОГО ВЕЛИКОГО КНЯЗЯ АЛЕКСАНДРА НЕВСКОГО - ROTTERDAM

Код баннера
смотрите здесь


Паломническая служба для инвалидов



«Сестры» — Ново-Тихвинский женский монастырь



Ðåéòèíã@Mail.ru

Rambler's Top100

Православный каталог